archiveren

Maandelijks archief: november 2012

Ik googel, jij googelt, wij googelen. Of hoe een zoekmachine kan uitgroeien tot een werkwoord. Vorig decennium drong googelen stilaan onze woordenschat binnen, tot het tenslotte werd opgenomen in Van Dale. Het Amerikaanse bedrijf Google was het echter niet eens met de gangbare uitleg ‘zoeken op het internet’: “Het is voor ons belangrijk dat we ons merk beschermen. Als mensen spreken over googelen, willen we zeker weten dat ze bedoelen zoeken met Google en niet met een andere zoekmachine”. Google mag wat mij betreft op zijn beide oren slapen: ik gebruik het werkwoord enkel met betrekking tot deze specifieke zoekmachine. Wat de Nederlandse taalgebruiker ook exact mag bedoelen met het werkwoord, één ding is zeker: “Google dominates the World Wide Web“. Google
Search, Google Images, Google Maps, Google Chrome, Google Books, Google Earth, Google Scholar… Hebben we hier te maken met een set van handige tools of met een selectieve alleenheerser?

Het nut van Google – information overload

Wie slaat er dezer dagen nog letterlijk een encyclopedie of woordenboek open? Slechts een enkeling. En waarom zouden we ook? Het internet herbergt een enorme hoeveelheid aan informatie, die eender waar en eender wanneer beschikbaar is. Maar er is ook een keerzijde aan de medaille:  zoeken op het internet wordt meer en meer een zoektocht naar een speld in een steeds groter wordende hooiberg (de hoeveelheid aan informatie zal elke twee jaar verdubbelen!). Men spreekt in deze context vaak van information overload: “information received at such a rapid rate that it cannot be assimilated, an excess can lead to information saturation. When this occurs, less attention is paid to each message and thus less information is received..”. De Amerikaanse schrijver Nicholas Carr maakt op zijn blog een onderscheid tussen twee vormen van information overload: situational overload en ambient overload. Dit tweede type omschrijft Carr als volgt:

We experience ambient overload when we’re surrounded by so much information that is of immediate interest to us that we feel overwhelmed by the neverending pressure of trying to keep up with it all. We keep clicking links, keep hitting the refresh key, keep opening new tabs, keep checking email in-boxes and RSS feeds, keep scanning Amazon and Netflix recommendations – and yet the pile of interesting information never shrinks.

Het is deze ambient overload die ons het meeste stoort, situational overload wordt nog min of meer opgelost door filters:

The introduction of indexes and concordances – made possible by the earlier invention of alphabetization – helped solve the problem with books. Card catalogues and the Dewey decimal system helped solve the problem with libraries. Train and boat schedules helped solve the problem with transport. The Reader’s Guide to Periodicals helped solve the problem with magazines. And search engines and other computerized navigational and organizational tools have helped solve the problem with online databases.

De internetgebruiker heeft dus iets of iemand nodig die een eerste selectie maakt in de grote hoop van informatie die het internet is. De Amerikaanse schrijver Clay Shirky zei op een technologie-conferentie in 2008 (en hij heeft wel een punt): It’s not information overload. It’s filter failure.” De internetgebruiker heeft nood aan handige tools die de overvloed aan informatie filteren: “The growth of net contents, helped by the low communicative access barriers, makes the selection of relevant content necessary”.  En dat heeft zoekmachine Google goed begrepen: “Google’s mission is to organize the world’s information and make it universally accessible and useful.”

The Googlization of Everything

Zoekmachines zijn dus – zo stelt Bernhard Rieder instituties geworden: “the interactive mapmakers that chart the unstructured geography of the vast data environment that is the Web”. De marktleider in het veld is Google, die – naast de welbekende Google Search – een “variety of services and for people and businesses “ verschaft:

In het boek The Googlization of Everything (And Why We Should Worry) waarschuwt Siva Vaidhyanathan ons echter: “Because we focus so much on the miracles of Google, we are often too blind to the ways in which Google exerts control over its domain”. Op welke manier maakt de zoekmachine bijvoorbeeld zijn selectie? Google zelf zegt nooit betaald te worden om sites op te nemen of bepaalde posities te geven in de zoekresultaten, maar ze baseren zich daarentegen op bepaalde algoritmes:

Today our algorithms rely on more than 200 unique signals, some of which you’d expect, like how often the search terms occur on the webpage, if they appear in the title or whether synonyms of the search terms occur o.n the page.Google has invented many innovations in search to improve the answers you find. The first and most well known is PageRank, named for Larry Page (Google’s co-founder and CEO). PageRank works by counting the number and quality of links to a page to determine a rough estimate of how important the website is. The underlying assumption is that more important websites are likely to receive more links from other websites.

Bepaalde websites komen hierdoor echter nooit aan de oppervlakte en zijn vooreeuwig gedoemd te behoren tot wat men noemt deep web of hidden web.  In deze context spreekt Siva Vaidhyanathan dus van googlization. Hij legt uit dat doordat Google de macht heeft te beslissen welke sites vaak bekeken worden en welke niet, het een bepaalde standaard geïntroduceerd heeft op het Internet (vb. pornografische sites worden zo vaak mogelijk vermeden): “Google has ensured that the Web is a calmer, friendlier, less controversial and frightening medium-as long as one uses Google to navigate it”. Let zeker op de laatste zeven woorden van dit citaat: zonder het gebruik van Google blijft het zoeken naar een speld in een hooiberg…

Ok, Google heeft de macht in handen, maar ik heb geen idee hoe ik zonder zoekmachine mijn weg zou moeten vinden in die oceaan van informatie…

Allez, om toch maar af te sluiten met een bekentenis (noem het macht der gewoonte): ik googelde zelfs voor het schrijven van deze blog over Google.

Het is officieel: I’m googlized.

Hoog tijd voor een nieuwe bekentenis: ik ben het perfecte voorbeeld van een rasechte Twitter-leek. Verder dan een vage omschrijving van het begrip tweet rijkt mijn Twitter-vocabulaire niet. Maar nu is het gedaan, ik spring in het duister, ik stap in het onbekende: ik creëer mijn eigen Twitteraccount. Snel gebeurd. Nu eens zien of de wondere wereld van de twitteraars ook mij kan bekoren, en vooral, of mijn account ook een meerwaarde zal blijken in mijn leventje als journaliste-in-spe. Hallo @Twitter?

Twitter als nieuwsbron

0 tweets, 1 volgend, 0 volgers. Zo staan de zaken er op dit moment voor. Nee, ik kan niet meteen een antwoord verzinnen op “Wat houdt je bezig?” (laat staan een antwoord dat andere mensen – mijn toekomstige volgers –  zou interesseren), dus ik wacht nog even met tweeten. Ik ben wel al – net als zo’n 66000 andere Twitteraars – officieel volger van VRT deredactie (al is het maar omdat dat me werd aangeraden toen ik voor het eerst op mijn Twitterstartpagina terechtkwam). Op deze manier blijf ik natuurlijk op een gemakkelijke manier op de hoogte van het meest verse nieuws. Ik zou echter ook gewoon vrienden kunnen worden met individuele personen, die dan berichten die zij interessant vinden retweeten (“The act of forwarding another user’s Tweet to all of your followers”). Twitter is dus een snelle manier om in contact te komen met het nieuws, maar is dit alles wel zo betrouwbaar?

Freelance- journalist Matt Burgess merkt terecht op: “There is nothing easier than pressing a retweet button and sending a message to followers without checking the facts behind it”. Inderdaad: met 1 muisklik is mijn eerste (re)tweet nu ook al een feit (en ik heb niet gecheckt of het wel correct was…). Op deze manier kunnen foute berichten natuurlijk in no time de wereld veroveren, zie bijvoorbeeld dit bericht op Twitter:

Deze onschuldige tweet heeft uiteindelijk geleid tot grote paniek, door ontelbare keren geretweet worden:

“a photo shoot in Oxford Street, central London, was misreported on the social network as a gunman shooting. Within minutes there were hundred of retweets flying around London about the shooting, causing a widespread panic and wasting the time, money and resources of the MET.

Het waarachtig achten van foute tweets heeft volgens recent onderzoek onder meer te maken met het feit dat online gebruikers de aanwijzingen missen, die ze wel in het echte leven hebben, om de geloofwaardigheid van informatie in de schatten. Toch is het noodzakelijk niet zomaar alle tweets te geloven, maar kritisch om te gaan met de bronnen (ja, ik val in herhaling…). Eén Twittertip kan ik je alvast meegeven: “Among several other features, credible news are propagated through authors that have previously written a large number of messages, originate at a single or a few users in the network, and have many re-posts”. Maar blijf voorzichtig!

Twitter steekt een handje toe

“we know Twitter is a tool all journalists can use to find sources faster, tell stories better, and build a bigger audience for their work”.

Twitter zelf is er alvast van overtuigd dat de microblogsite een meerwaarde kan zijn in het leven van de journalist, en heeft dan ook verschillende tools om ons het werk gemakkelijker te maken. Ook via andere kanalen wordt het ons aangeraden een account op te stellen. Zo sprak onlangs nog een professor uit mijn studierichting zijn goedkeuring uit over het medium, en ook iemand als David Haakman, chef NRC Digitaal, antwoordt op de vraag naar zijn advies voor journalisten die nog niets met Twitter doen:

“Ga het gebruiken. Het is zonde als je zo’n goede nieuwsbron niet inzet. Er zijn zoveel specialisten aanwezig. Ook is het nuttig om als journalist zelf vertegenwoordigd te zijn op Twitter. Laat jezelf zien als expert.”

Toch blijkt uit onderzoek dat journalisten-in-spe – hoewel ze weten dat het een nuttige tool kan zijn – toch nog niet zo handig gebruik maken van sociale media:

“Our study suggests that while the vast majority of students have some engagement with social media, particularly social networking, and are aware that it can be a powerful tool for journalists, they are still not entirely comfortable with its techniques and they are not experimenting with social media as a production platform as much as we first thought. In short, it appears that they do not have command of professional fluency with social media tools.”

Rondvraag bij mijn collega-studenten journalistiek bevestigt deze bevindingen min of meer: daar waar – op één uitzondering na, nl. ondergetekende – iedereen in mijn klasgroep een Facebook-account bezit, zijn slechts enkelen actief op Twitter. Deze facebookers gebruiken hun account toch vooral voor sociale doeleinden: in contact blijven met vrienden, foto’s uploaden, op de hoogte blijven van evenementen enz. Maar ik ben er zeker van dat stilaan meer van mijn collega-studenten sociale media als een meerwaarde voor hun journalistieke carrière zullen zien. Ik heb alvast een kleine stap in de goede richting gezet…

Ohja, voel je vrij om mijn eerste volger te worden, al kan ik niet garanderen dat babsbemel  op dit moment al veel tweets de wijde wereld in zal sturen…

Toch nog geen rasechte twitteraar, dus.

#AtleastItried.

“Wie heeft er geen internet thuis?”, een vraag die vandaag de dag misschien absurd in de oren klinkt, maar die zo’n tien à vijftien jaar geleden nog regelmatig gesteld werd in de klas. Tegen het midden van mijn lagere schoolcarrière mocht ook ik mijn hand naar beneden laten. Zoveel jaren later is internettoegang in mijn leefomgeving gewoonweg een evidentie geworden: er is altijd wel iemand die zijn pc, iPhone, iPad of Blackberry bij de hand heeft om iets te googelen, te youtuben of te facebooken. Internet is everywhere.Dit maakt dat ik behoor tot de zogenaamde “information haves” (de informatierijken), die gescheiden worden van de “information have nots” (de informatiearmen) door een brede digitale kloof. Maar heeft het wel zin deze tweedeling te maken?

De digitale kloof: een mythe?

The ‘digital divide’ is one of the most discussed social phenomena of our era. It is also one of the most unclear and confusing.

Zoals blijkt uit voorgaand citaat van professor Mark Warschauer, is het om te beginnen zeer moeilijk het concept digitale kloof op een eenduidige manier te omschrijven: het wordt in verschillende situaties met een verschillende betekenis gebruikt. Waar ik in dit blogbericht een kritische blik op wil werpen, is het concept in zijn meest gangbare gebruik, namelijk “the gap separating those individuals who have access to new forms of information technology from those who do not”.

Als we bovenstaande ‘definitie’ op een kritische manier gaan benaderen, merken we eerst en vooral op dat de term gap een radicale tweedeling impliceert: je behoort óf tot zij die toegang hebben tot de informatietechnologie (IT), óf tot zij die dat niet hebben. In werkelijkheid gaat het natuurlijk veeleer om een continuüm tussen twee extremen. Deze binaire oppositie wordt nog eens versterkt door de manier waarop men de digitale kloof doorgaans in kaart brengt, namelijk door het tellen van het aantal personen met individuele toegang tot de IT of tot het internet. Ganesh en Barber merken terecht op: “Binarization reflects and reinforces a tendency to assess digital divide issues purely in terms of access or Internet penetration rates, thereby examining the ‘supply’ side of the debate, or the extent to which ICTs and infrastructure are available. Wat doen we in dit geval bijvoorbeeld met mensen die geen computer thuis hebben, maar wel uren per dag spenderen in een internetcafé? Aan welke kant van de kloof bevinden zij zich?

En omgekeerd: wat doen we met een persoon die in zijn slaapkamer een computer met internettoegang heeft staan, maar er totaal niet mee kan werken? Men moet er dus ook rekening mee houden dat “de formele toegang tot ICT […] niet automatisch het zelfstandige en doeltreffende gebruik van deze technologieën en van hun inhoud” garandeert. Beter dan de ‘supply’-kant, zou men de mate waarin er effectief gebruik gemaakt wordt van IT moeten onderzoeken. Toegegeven, zo’n onderzoek  is al een pak ingewikkelder.

Bovenop de commentaar op het gebruik van de termen gap en access, moet er nog kritisch gekeken worden naar twee basiskenmerken van de “digitale kloof”-theorie. Ten eerste vertrekt ze duidelijk vanuit ons – de informatierijken – standpunt. Wij zien ons technologiegebruik namelijk als normatief: aan iedereen die niet over IT als bron van informatie beschikt, ontbreekt iets en hij/zij bevindt zich bijgevolg in de niet-wenselijke positie. Dit wordt nog eens bevestigd door de anderen te labelen aan de hand van een ontkennende term (“have nots“) of aan de hand van een substantief met een eerder negatieve connotatie (“informatiearmen“). Ten tweede baseert de hele theorie zich op het technologisch determinisme, door er zomaar van uit te gaan dat een verbetering van de toegang tot de IT ook sociale veranderingen met zich mee zou brengen.

Op zoek naar een nieuw concept

Het concept “digitale kloof” en de hele theorie eromheen kan dus beschouwd worden als te beperkt, te schematisch, denigrerend enz. Gelukkig is de zoektocht naar een alternatief al goed begonnen (zie vb. de theorie van Potter rond zones of silence).

Want hé, wie weet zijn diegenen zonder toegang tot allerlei vormen van informatietechnologie wel veel informatierijker dan wij…

 

bronnen:

Ganesh, Shiv; Barber, Kirsty F. 2009. “The silent community: Organizing zones in the digital divide” in Human Relations 62:851.

Gunkel, David J. 2003. “Second Thoughts: Toward a Critique of the Digital Divide
” in New Media Society 5:499.