archiveren

Blogs

Vier maanden bloggen (toegegeven, er waren tijden dat het hier vrij stil was). Vier maanden onderwerpen uitspinnen (het ene al boeiender dan het andere). Vier maanden bronnen raadplegen (de ene al academischer dan de andere). Vier maanden catchy titels verzinnen (toegegeven, sommige mogen er best wel wezen). Feit 1: ik mag mijzelf een blogger noemen. Twijfel: mag ik mijzelf een journalist noemen? Feit 2: er woeden hevige discussies in het land der journalisten (en ver daarbuiten). Is een blogger een journalist?

Iedereen journalist

In ons Belgenlandje mag iedereen zich journalist noemen, ongeacht studie, voorkennis of vast beroep (bij dokters ligt de zaak – gelukkig – helemaal anders). De wet zal ons dus geen verlossend antwoord kunnen bieden op onze prangende vraag. Daar waar het onderscheid tussen een journalist en geen journalist waarschijnlijk nog relatief duidelijk was, heeft de opkomst van de nieuwe media heel wat twijfel met zich meegebracht. Iedereen zit op Facebook (ok, buiten een enkeling als ik), iedereen post Youtube-filmpjes (ok, buiten een enkeling als ik), iedereen twittert (zelfs een enkeling als ik) en… iedereen blogt. Maar niet iedereen is een journalist.

Laat ik beginnen met te wijzen op het onderscheid tussen wat we persoonlijke en professionele blogs kunnen noemen: zeggen wat mijn hond vandaag gegeten heeft en dit illustreren met een foto, kan bezwaarlijk journalistiek genoemd worden. Maar grenzen trekken is nooit gemakkelijk. Professor Jos Huypens, oud-redacteur van de Gazet van Antwerpen, verwoordt het onderscheid als volgt: “De notie publiciteit in de betekenis van openbaarheid moet aanwezig zijn.” Dit helpt ons natuurlijk geen stap vooruit, aangezien publiciteit en openbaarheid zowat de basiskenmerken van de nieuwe media zijn. Wat maakt een blog dan professioneel? De schrijfstijl? Subjectief selectiecriterium. Het onderwerp? Subjectief.

Zoals ik in mijn vorige blogbericht al zei, worden objectiviteit en onpartijdigheid door de modale mens nog steeds tot de basiskenmerken van een goede journalist gerekend. Dit wil echter niet zeggen dat meningen geen plaats hebben in journalistiek werk, maar het verschil moet duidelijk zijn: “De journalist maakt voldoende het onderscheid tussen zijn feitelijke berichtgeving en zijn commentaar duidelijk voor het publiek” (aldus de Journalistieke code). En bloggers zijn hier veel vrijer in, “much freer in their ability to analyse general content than journalists or regular run of the mill producers.” Maar een column of een opiniestuk in een krant wordt toch ook tot het journalistieke werk gerekend?

Uit het blogbericht over personal branding werd reeds duidelijk dat een blog deel kan zijn (of zelfs noodzakelijkerwijs is) van iemands journalistieke werk:

Voor de meeste journalisten vormen ze een verlengstuk van het dagelijkse werk, op een blog zijn ze vrijer en hebben ze meer ruimte voor hun verhaal te doen. Maar andere journalisten gebruiken het voor nieuws te brengen over een vakgebied waarop zij gespecialiseerd zijn zoals bijvoorbeeld internet.

Op zo’n moment gaat het toch gewoon om journalistiek, lijkt mij. Blogs “als platforms van transparante, persoonlijke journalistiek”.

Wat ben ik nu eigenlijk?

Er zijn evenveel voor- als tegenstanders, net zoals er evenveel voor- als tegenargumenten te vinden zijn (ironisch genoeg zijn daar al talrijke blogs over geschreven). Uitspraken als ‘Oh, how many times will this whole blogger vs. journalist debate come up?” zijn dan ook geen uitzondering. Typ maar eens iets als ‘are bloggers journalists’ in Google, en je ziet wat ik bedoel.

Dat er nog geen consensus bestaat over de kwestie, vindt zijn weg tot in de pers. Zo werd in Gent onlangs een man veroordeeld voor beledigende uitspraken op zijn blog. Volgens die rechter “zijn bloggers ook journalisten, ook als ze geen perskaart hebben”. In Amerika kreeg een vrouw dan weer een enorme geldboete omdat ze lasterlijke beschuldigingen geblogd had en dus – zo oordeelde de rechter – géén journalist was (en bijgevolg geen recht had op bescherming van de zogeheten state shield laws).

Tijd om het debat af te sluiten, en wel met een bekentenis (naar goede gewoonte): ik ga geen antwoord geven op de vraag die dit blogbericht beheerst. Het antwoord hangt namelijk gewoon af van wat jij als journalistiek werk beschouwt. En ik ben er zelf nog niet uit.

Ik ben blogger én journaliste-in-spe, laat ik het daar bij houden.

Tot blogs.

Debat in de laatste les Nieuwe media en mediaconvergentie. Nu moet ik toegeven dat ik graag discussieer, maar niet in grote groep (en al helemaal niet als ik mijn hand moet opsteken, dan voel ik me ongemakkelijk). Heb ik geluk dat ik een blog heb om mij volledig op te laten gaan! Laat me een stelling poneren uit het debat: “het is onvermijdelijk dat journalisten ‘personalities’ zullen worden. Ze moeten aan personal branding doen” (met personal branding als “taking control of the processes that affect how others perceive you“). Akkoord?

Personal branding

Het concept personal branding wordt voor het eerst beschreven in het artikel “The Brand Called You” in 1997, door ene Tom Peters: “It’s time for me — and you — to take a lesson from the big brands, a lesson that’s true for anyone who’s interested in what it takes to stand out and prosper in the new world of work”. Want daar draait het om: de aandacht trekken, opvallen, in het oog springen. Personal branding lijkt meer dan ooit noodzakelijk in deze economisch onstabiele tijden, want “The opposite of brand is generic. And no one looking for a job wants to be generic, unless your strategy is to land a low-paying job”.

Hoe doe ik dat dan, mezelf branden, als journaliste-in-spe? Het komt er op neer op zoek te gaan naar “unieke kwaliteiten als product en deze verder te ontwikkelen en te gebruiken als verkoopsargumenten”. Bovendien is het als journalist onontbeerlijk een netwerk op te bouwen. En in het verwezenlijken van deze processen komen de nieuwe media heel goed van pas. Volgens de onderzoekers Barnes en Hair dient de journalist namelijk de volgende acties te ondernemen om aan personal branding te doen: “het beheren van een persoonlijke website en een blog [blog: check], het gebruik van sociale netwerksites [zou het inactief aanwezig zijn op Twitter meetellen?] en het toepassen van search engine optimisation [je blog en website vindbaar maken door zoekmachines]”. Dit alles dient wel uit een professioneel oogpunt gedaan te worden, en niet louter uit ontspanning (geen tweets over wat ik vandaag heb gegeten, dus).

Naast het diversifiëren van jezelf en het opbouwen van een netwerk, kan personal branding ook leiden tot het bereiken van een ‘top of mind’-status bij de doelgroep in kwestie. Volgend citaat van Frank de Graeve (de gastspreker uit mijn vorige blog) sluit hier mooi bij aan: “Door via social media intensief en consistent te communiceren over dat ene onderwerp waarin ze gespecialiseerd zijn, worden ze al snel gezien als experts ter zake”. En experts worden zeer vaak om hun mening gevraagd (denk maar aan iemand als Paul D’hoore inzake financieel-economische onderwerpen).

How branding is ruining journalism”?

Frank de Graeve spreekt van een nieuw fenomeen: de BJ’s (bekende journalisten), die door hun aanwezigheid op de sociale media (en het actief branden van hun persoonlijkheid) steeds bekender worden. En daar houden de mediabazen van: hoe bekender  de gezichten, hoe meer kijkers. En dus werken ze hier ook actief aan mee, kijk maar naar televisieprogramma’s als Vranckx of Phara die letterlijk de naam van een journalist dragen. Een journalist kan dus twee vliegen in één klap slaan door actief te zijn op de sociale media: “Ze promoten er het medium waaraan ze zijn verbonden mee (“Deze week in Humo: mijn interview met…” of “Straks op het VTM-nieuws: een exclusief bezoek aan…”, enzovoort). Maar wie wil, kan er ook zichzelf mee in de kijker plaatsen.”, aldus De Graeve. Werkzekerheid verzekerd.

Maar brengt een journalist zijn eigen geloofwaardigheid niet in het gedrang door actief aan personal branding te doen? Objectiviteit en onafhankelijkheid worden nog steeds tot de basiskenmerken van een goede journalist gerekend, maar wat blijft er daar nog van over als je actief je mening geeft op Facebook en Twitter? Zonder enige vorm van personal branding blijft de journalist daarentegen gewoon één van de velen… Het blijft een lastig evenwicht, vrees ik.

“We are CEOs of our own companies: Me Inc.”, aldus Tom Peters. Nu maar hopen dat ik mijn bedrijf niet failliet laat gaan.

Misschien toch een beetje actiever worden op Twitter…

Zondagochtend: de geur van koffie, een kopje thee, een pistolet en De Standaard. Ik kan mij geen betere manier indenken om de dag te beginnen (en dat maakt mij waarschijnlijk een clichématig persoon. Vind ik niet erg.). Nee, ik heb zelf geen krantenabonnement (reden genoeg om één keer per week huiswaarts te trekken). En jawel, ik zou er graag één willen, maar om budgettaire redenen houd ik het voorlopig bij online nieuwssites. Maar nu komt er dus die betaalmuur: “De tijd dat we op de site gratis artikels weggeven waar hard aan gewerkt is, is voorbij.” Begrijpelijk, maar oh zo spijtig. Dan kan ik mij al beter een papieren versie aanschaffen, niet? Of dreigt die – zoals we her en der horen – in de nabije toekomst te verdwijnen? Gastspreker Frank de Graeve stelde ons (lichtelijk) gerust: het is nog niet voor 2013. Voor wanneer dan wel? En zullen we treuren om zijn dood?

Het lot van de papieren krant

In 2026 wordt de papieren krant (zoals we die nu nog kennen) irrelevant in ons Belgenlandje, zo voorspelt ene Roy Dawson in zijn “Newspaper extinction timeline”. Philip Meyer, auteur van het boek “The Vanishing Newspaper”, stelt de dood van de papieren versie nog even uit tot 2043. Een datum plakken op het einde van de traditionele krant is natuurlijk nogal nattevingerwerk, maar de achterliggende gedachte is wel een hot topic dezer dagen: papieren kranten zullen in de toekomst plaats moeten maken voor de online equivalent.

Een van de redenen is natuurlijk de opkomst van die nieuwe media, die het de internetgebruiker mogelijk maken 24/24 te weten wat er op dat eigenste ogenblik in de wereld gebeurt. Mediaspecialist Jo Caudron (“broer van”, inderdaad, zie mijn vorige blogbericht) verwoordt het als volgt: “Een grote groep mensen weet wat er in de wereld gaande is door de website van een krant te lezen, in plaats van de krant zelf. Ik merk dat ook bij mezelf. Ik lees geen papieren krant meer, om de simpele reden dat ik geen nood heb aan het nieuws van gisteren, maar aan dat van vandaag.” En juist om die reden zullen de papieren kranten – als ze toch willen blijven bestaan – van focus moeten veranderen. “Dat kranten in hun huidige vorm irrelevant worden, wil niet zeggen dat papier geen nieuwsdrager meer zal zijn”. De inhoud zal echter aangepast moeten worden. Gastspreker Frank de Graeve legde uit dat de traditionele media niet meer gaat moeten vertellen wat er gebeurd is, maar eerder hoe en waarom. Roy Dawson spreekt dan weer van meer gepersonaliseerde kranten.

Hoe dan ook, het is zeer waarschijnlijk dat de krant zoals ik die graag zondagochtend aan de ontbijttafel lees, er niet meer zal zijn in de toekomst. Maar is dit dan zo erg? Peter Vandermeersch – die sinds zijn deelname aan de Slimste Mens ter Wereld bij het brede publiek bekend is – zal er niet om treuren: “Persoonlijk hoop ik dat de papieren krant verdwijnt”, en ook de hoofdredactrice van De Tijd is er niet rouwig om: “Misschien leest iedereen binnen 20 jaar de krant op iPad en is er van papier geen sprake meer. Is dat een ramp? Dat vind ik niet”.

De opkomst van het nieuws online

Het verdwijnen van de papieren krant hoeft ook helemaal geen ramp te zijn, zolang er genoeg alternatieven bestaan. En die zijn er. Sinds ik lid bed van de Twittergemeenschap en volger ben van Deredactie, De Standaard en sinds gisteren ook van CNN en AP, sta ik voortdurend in contact met het meest verse nieuws. Vergelijkbaar met een papieren krant? Toch niet echt, ik heb iets of iemand nodig die een selectie voor mij maakt (zoals de nieuwssites dat doen), want die continue nieuwsstroom overvalt me wat (lees: information overdrive). Voor mij is het surfen naar www.standaard.be en naar www.nieuwsblad.be al een automatisme geworden: een minuutje is genoeg om de koppen even te scannen. En steeds meer mensen (kopen en) lezen hun krant ook digitaal, (de digitale verkoop van De Standaard steeg bijvoorbeeld met wel 73% vorig jaar!). Deze stijging van het aantal digitale lezers in combinatie met de crisis in de advertentiemarkt in de gedrukte media, zorgen er voor dat verschillende dag- en weekbladen zich al beperken tot online publicatie, vb. Newsweek of France Soir.

Is de papieren versie nu echt ten dode opgeschreven? Afwachten. Het enige dat zeker is, is dat het medialandschap voortdurend verandert. En de (traditionele) media zullen zich hieraan moeten aanpassen. Rosenblums waarschuwing “Adjust or  you will die” (dat ik reeds citeerde in een vorige blog), geldt dus evengoed voor de nieuwsmedia als voor de journalisten die ervoor werken.

Als de betaalmuur er komt zal ik alleszins op een andere manier aan mijn dagelijkse portie actualiteit moeten geraken, maar ik vrees voor de papieren versie…

Alleen mijn zondagsritueel, daar wil ik graag aan vasthouden, want kruimels en elektronica gaan toch niet echt samen.

Ik had een tijdje geleden een gesprek met een journalist van een populaire Vlaamse krant, en die man feliciteerde mij zowaar met mijn Facebookloze bestaan (dat moet meteen zowat de eerste felicitatie zijn die ik daaromtrent ooit heb ontvangen): “Gij hebt gene Facebook? Da’s een goei begin, da’s super! Ge hebt gelijk da ge het niet doet”. Waar hij met zijn lovende woorden op doelde – en wat eerlijk gezegd nooit de reden geweest is van mijn weigering een facebooker te worden – was het totale ongewisse waarin de facebookgeneratie leeft over hoeveel persoonlijke informatie ze op de sociale netwerksites te grabbel gooien: “Mensen staan daar echt niet bij stil he!”. Hij zou een interessant gesprek kunnen voeren met de socioloog Ben Caudron, die onlangs een gastcollege kwam geven over zijn recentste publicatie Niet leuk? Mijmeringen over nieuwe media, mensen en macht. In deze essaybundel kunnen we lezen: “Wij moeten kiezen of we een samenleving willen waarin technologie ons nog meer tot knecht herleidt; of een samenleving waarin het goed leven is met en dankzij technologie”. Recensent Claude Nijs vat samen: “Het is een keuze die we niet lang kunnen uitstellen. De ons omringende technologie mag dan wel in toenemende mate leuk lijken, ze kan ook geen spaander heel laten van onze private levens en ze kan zelf morele grenzen stellen”.

Is het echt zo dat nieuwe media als Facebook ons beheersen als meesters hun knecht? En in welke mate gaat Facebook onethisch om met de privacy van zijn (meer dan een miljard) leden?

Facebook als commercieel product

Facebook brengt plezier. Facebook brengt sociaal contact. Facebook verbindt de mensen. Allemaal heel mooi, maar – om het met de woorden van Peter Desmyttere te zeggen – achter Facebook “zit een uitgekiend businessmodel. Een model waarbij met de grenzen van onze privacy gespeeld wordt”. En flirten met de grens betekent dat deze al eens overschreden wordt, zo leren ons de vele klachten voor schending van de privacy die lopen tegen Zuckerbergs sociale netwerksite (zie vb. dit krantenartikel). Ook Ben Caudron wijst op het commerciële aspect van de sociale media: “Facebook, Twitter en Google zijn mediabedrijven die er alle belang bij hebben om zo veel mogelijk van onze data te verkrijgen. Wij, de gebruikers, zijn het vlees in de etalage.” Facebook verdient namelijk geld door advertenties. Hoe meer de adverteerders over de gebruiker weten, hoe specifieker ze hem/haar kunnen bestoken met reclame. Hoewel een experiment heeft uitgewezen dat de doorsnee jongere enige vorm van gepersonaliseerde reclame wel weten te waarderen, vind ik dit vooral beangstigend.

Hoe komt Facebook aan deze vertrouwelijke informatie? Die geeft de gebruiker hem helemaal zelf, zij het vaak onbewust. Een van de grote kritiekpunten die Ben Caudron uit op de sociale media is niet het feit dat ze geld verdienen aan private informatie van de gebruikers, maar het feit dat ze er niet eerlijk over communiceren. Zo is een standaardinstelling van Facebook dat alles met iedereen gedeeld wordt. Het is de gebruiker zelf die dit – indien gewenst – naar ‘alleen met vrienden delen’ moet omzetten. “Het zou Facebook sieren als het dat verandert, maar vanuit commercieel oogpunt is Facebook er niet bij gebaat dat te doen”.  

Facebook zou respect moeten tonen voor de privacy, maar heeft daar geen enkel commercieel belang bij. Zeker niet zolang de gebruikers niet aantoonbaar afhaken omwille van dat privacybeleid. En daar hoeft Zuckerberg niet voor te vrezen.”, aldus Ben Caudron. Schrik gekregen? Voel je je bekeken? Op deze website vind je 10 tips om je privacy-instellingen te verstrengen (vb. haal jezelf uit de Google-resultaten).

Facebook en democratie

Als we terugkijken naar de woorden van recensent Claude Nijs, dan vraagt het tweede deel van diens citaat nog wat uitleg, nl. ‘ze kan zelfs morele grenzen stellen’. Facebook censureert (jawel, alle blogthema’s keren wel eens terug) de gebeurtenissen op basis van “onduidelijke, typisch Amerikaanse en erg puriteinse regels”. Een grappig testje van de Facebook-pagina ‘Theories of the deep understanding of things” haalde onlangs de pers: een foto van een vrouw met haar ellebogen op de rand van het bad werd gepost … en weer verwijderd door Facebook (de beheerders dachten namelijk dat het om een blote boezem ging). Of hoe Facebook nogal extreem kan gaan in het censureren van zijn gebruikers. Ben Caudron bekritiseert deze acties: “Het is democratisch niet gezond dat Facebook content filtert op basis van geprivatiseerde normen en waarden” en “Moet alles kunnen? Neen. Maar wie bepaalt wat kan en wat niet kan? Mijn standpunt is dat dat op een lokaal niveau moeten gebeuren. Waar halen die puriteinse Amerikanen het lef vandaan om in onze plaats te beslissen wat wij mogen zien?”.

Ook andere sociale media moeten met de vinger gewezen worden, zoals Twitter (ajaj, daar ben ik sinds kort wel lid van) en Google (oej, en ik gaf al toe dat ik een fervent googler ben). Stuk voor stuk enorm populair. En het ziet er niet naar uit dat de sociale media binnen afzienbare tijd aan populariteit zullen moeten inboeten. Wat de jeugd (en misschien zelf jong én oud) nodig heeft, is mediatraining: leren verantwoord omgaan met het digitale verkeer, zo stelt Ben Caudron. En laat dat nu juist zijn waar de journalist van die populaire Vlaamse krant waar ik een tijdje geleden mee sprak ook voor pleitte.

Ik wacht nog even met het aanmaken van een Facebookprofiel, want toegegeven: ik kan zo’n lesje internetprivacy wel gebruiken…

Twee gastdocenten, twee radicaal verschillende meningen. Daar waar Jan Debroek van het productiehuis Arendsoog rotsvast gelooft in de voordelen van het soloreporterschap (“1 camerareporter filmt, monteert en regisseert”), heeft VRT-journalist Michaël van Doogenbroeck vooral bedenkingen bij deze vorm van journalistiek. En ook in het ruimere journalistieke veld heerst er onenigheid: is de journalist van de toekomst een doe-het-zelver of blijft hij/zij deel uitmaken van een drie- of viermansploeg?

Voordelen van solojournalistiek

Traditioneel is een videoreportage een samenwerking tussen een cameraman, een klankman, een monteur en een journalist. Gevolg: vier werknemers die op het einde van de maand geld op hun bankrekening willen zien staan. Om kosten te besparen, wordt er steeds vaker geopteerd voor een gereduceerde versie van deze traditionele vierdeling. In minimale vorm – zo leerde ik van Michaël van Droogenbroeck – vinden we dit reeds bij de VRT, waar de geluidsman ook de montage van het stuk voor zijn rekening neemt. Toch kan de productie nog goedkoper, door het inzetten van een solojournalist (aka camjo, videojournalist of backpackjournalist), want “Bedrijven sparen 2/3 tot 80 procent van de productiekosten uit, alleen al door de vermindering in de loonkosten”. Het zal dus niet verwonderen dat regionale zenders als TV-Limburg, TV Oost of ATV reeds hun toevlucht nemen tot deze kostenbesparende vorm van journalistiek.

Het financiële aspect is niet het enige voordeel dat het soloreporterschap biedt ten opzichte van de traditionele vierdeling. Integendeel. Zo spreekt het Belgische productiehuis Arendsoog van “heel betrokken producties”: één persoon legt zich volledig toe op één journalistiek stuk, en maakt bewust elke fase in het productieproces mee. De traditionele onderverdeling (cameraman-geluidsman-monteur-journalist) werkt deze betrokkenheid, intimiteit en creativiteit tegen, want “If you are shooting for someone else to edit you really need to stick to a formula”. Daarnaast is een eenmanscameraploeg natuurlijk minder intimiderend voor de geïnterviewden, mobieler (onder meer al door de lichte, handige, semiprofessionele camera’s die er tegenwoordig bestaan), enzovoort.

Michael Rosenblum, die algemeen beschouwd wordt als de geestelijke vader van de videojournalistiek, spreekt van een heruitvinding van de journalistiek:

It means that we have a unique opportunity to reinvent television journalism. No longer does it have to be complex, expensive, difficult, require an army of technicians, or rest in the hands of the very few. It is now possible for a person working on his or her own to make high-quality, intelligent and, most importantly, very inexpensive television.

Een heruitvinding van de journalistiek lijkt onvermijdelijk, aangezien de hoeveelheid beschikbaar nieuws alleen maar blijft groeien (mede door de opkomst van de sociale media). En juist op dat vlak biedt de solojournalistiek een groot voordeel: “instead of having two person crews doing ten stories; you could have twenty individuals doing twenty stories. I like that idea and the fact that if you have all those minds working a different story, you are going to be able to cover more news.” En zo worden er dus ook kosten bespaard.

“Jack-of-all-trades, and masters of none”

Maar de kritiek is vaak hard. Vooral de kwaliteit van solojournalistiek wordt in twijfel getrokken en zelfs openlijk aan de kaak gesteld (“de kwaliteit van camjo is vaak bagger”). Natuurlijk hebben critici gelijk als ze zeggen dat de beeldkwaliteit van een reportage gemaakt door een videojournalist niet te vergelijken is met die van een cameraman die er een jarenlange studie op heeft zitten. Maar maakt dat uit? Is de kijker wel op zoek naar hoogstaande beeldkwaliteit? Onderzoek heeft uitgewezen – zo legde Jan Debroek uit – dat de kijker het verschil amper opmerkt tussen beeldmateriaal van solojournalisten en dat van meermansploegen. De nieuwsinhoud wordt nog altijd belangrijker geacht dan de beeldkwaliteit, kijk maar naar het gebruik van Youtube-video’s of Skype-interviews in het televisiejournaal.

Daar waar de technische kwaliteit dus niet perfect moet zijn, wordt een videojournalist wel verwacht de journalistieke kwaliteit van het stuk zo hoog mogelijk te houden, en daar zit de grootste uitdaging: “It is often easier to learn the technical part of Video Journalism, than it is to master the journalism”. De journalist mag niet vergeten een gebalanceerd en objectief – voor zo ver dat mogelijk is – verhaal te brengen. Onderzoek heeft uitgewezen dat de solojournalistiek hier nog niet volledig toe in staat is.

Wat brengt de toekomst?

Zal de videojournalistiek een fenomeen blijven dat enkel op regionaal vlak succes kent? Twijfelachtig. Op dit eigenste moment koopt ook de VRT al soloreportages (o.a. voor Panorama). Waarschijnlijker ligt de toekomst in de combinatie van solojournalistiek en traditionele cameraploegen, want – zo gaf zelfs Jan Debroek toe – “er gaan altijd situaties bestaan waarin de traditionele opdeling beter zal zijn en behouden wordt”.

Niettegenstaande: journalisten, “Adjust or  you will die” (aldus Rosenblum). Ik krijg volgend semester alleszins al een basiscursus monteren en cameratechnieken.

Dus ik overleef het wel… Let’s hope.

Feit: China is geen democratie. Meer nog, China wordt al meer dan 60 jaar bestuurd door een communistische partij (de CCP). En deze houdt toezicht op alles: “Boeken, tijdschriften, tv- en radioprogramma’s, film, theater, videogames, sms-verkeer en websites”. De Chinese maatschappij in goede banen leiden, heet dat dan:

“Laws and regulations clearly prohibit the spread of information that contains content subverting state power, undermining national unity [or] infringing upon national honour and interests”

Censuur, dus. En daar ontsnappen de nieuwe media natuurlijk niet aan. Om het met de woorden van de Chinese autoriteiten zelf te zeggen: “Within Chinese territory the internet is under the jurisdiction of Chinese sovereignty. The internet sovereignty of China should be respected and protected” Officieel beschermen de communistische leiders de Chinese burger tegen de gevaren van pornografie, maar dat is natuurlijk niet de echte reden.

Valt de vrijheid die het internet – en de nieuwe media in het bijzonder – met zich meebrengt, te genieten onder het alziende oog van de Chinese autoriteiten?

The Golden Shield

In 1998 starten de Chinese autoriteiten met “the Golden Shield Project”, in het Westen beter bekend als “The Great Firewall of China”. Het systeem heeft een dubbele functie: “Not only does the Golden Shield Project act as a censor but it also monitors all online activity in and out of China”. Big Brother, zeg maar. Volgens de Californiër Josh Ong is Chinese muur als metafoor eigenlijk niet de beste keuze, aangezien het Chinese internet eerder een semidoorlaatbaar membraan is: het één wordt geaccepteerd, het ander geblokkeerd. De censuur gebeurd op verschillende niveaus. Enerzijds zijn er bepaalde woorden die niet aanvaard worden. Zo zal een Chinees de Dalaï Lama niet kunnen wikipediaën (of is het wikipedia-en?) en zo maakte de Chinese autoriteiten het de internetsurfer eerder dit jaar onmogelijk informatie te zoeken over de blinde mensenrechtenactivist Cheng Guangcheng:

Op de Chinese variant van Twitter, Weibo, werd al snel druk gespeculeerd over de verblijfplaats van Chen. Maar veel zoektermen werden al even snel verboden. ‘Chen’, ‘blinde man’, ‘ambassade’; tikte een internetter deze woorden in, dan kwam de mededeling tevoorschijn: ‘Gezien de geldende wetten en beleidsregels, worden de zoekresultaten niet getoond’.

Om er voor te zorgen dat de “verboden” zoektermen geen resultaten opleveren, worden de Chinese websites ook verwacht aan zelfcensuur te doen: “Some websites admit to self-censorship by displaying a certain message when searching for certain keywords […]:In accordance with relevant laws, regulations and policies, some search results were not displayed.

Anderzijds zijn er volledige websites die niet toegankelijk zijn voor de Chinese internetgebruiker (check deze site om zelf te testen of een webpagina al dan niet bereikbaar is in China), zoals Facebook of Twitter. De Chinese autoriteiten laten wel eigen “klonen” van deze Westerse modellen toe, zoals respectievelijk Renren en Weibo (ga maar eens kijken, de visuele overeenkomsten zijn opvallend!): “Certain pages are blocked; some services are so slow that they are actually rendered useless (Gmail is one good example). People choose local alternatives simply because they work better and have the same functionality”. Op die manier hebben die 1.343.239.923 inwoners ook toegang tot de nieuwe media, al zijn ze toch niet zomaar te vergelijken met de Westerse modellen: “When we mention social media in the west, it’s about decentralized information, […] When Weibo came to China, it was decentralized content but centralized server and control, so Weibo is not the same social media as we see in the west.

Rond de muur heen

Wie niet door de muur kan – of door het semidoorlaatbare membraan –, maar wel graag aan de andere kant wil geraken, kan er natuurlijk altijd nog omheen. Er bestaan verschillende methoden om toch op verboden sites te geraken, zonder de kans te lopen om betrapt te worden door de Chinese waakhonden: Proxy Servers, Virtual Private Networks (VPR), Tor… Allemaal Chinees voor mij (ik beken: geen technische knobbel), maar wil je er toch graag wat meer over weten, klik dan hier.

Ok, de muur omzeilen is mogelijk, maar het is eigenlijk gewoon tijd om die muur neer te halen! En hier deel ik in de mening van een groot aantal wereldburgers (dat hoop ik althans): vrijheid van meningsuiting is een basisrecht. Zie bijvoorbeeld de actie die Amnesty International in oktober voerde in de Vlaamse bibliotheken: 10 dagen lang werden de boeken van 11 Vlaamse schrijvers uit de rekken gehaald wegens ‘ aanstootgevend’: “De censuuractie in de Vlaamse bibliotheken wil u aan den lijve doen ondervinden wat vrije meningsuiting betekent en hoopt u te kunnen overtuigen om samen met Amnesty International de strijd aan te gaan tegen repressie en censuur.” Tijd voor verandering! Google-topman Eric Schmidt is er alvast van overtuigd dat die verandering er wel zal komen: “Technology and information penetration in China will eventually force the Great Firewall of China to crumble and even lead to the political opening of the Chinese system”.

 

Ik kan hier in mijn Belgenlandje met een gerust hart bloggen, facebooken, sms’en, googlen en wikipediaën (of wikipedia-en?).

En zo hoort het.

Sloop die muur!

再见

“Democratie: staatsvorm waarin het volk (door vertegenwoordigers) zichzelf regeert en vrijelijk zijn meningen en wensen kan uiten”. (Van Dale)

Feit: ons Belgenlandje is een democratie. Meer nog, ik stond zo’n twee maand geleden drie kwartier in de wachtrij  in het cultureel centrum van Diest om er een papiertje in een stembus te steken (nee, nog geen computers daar…). Dus: ons Belgenlandje is een representatieve democratie, aangezien wij via verkiezingen volksvertegenwoordigers aanstellen die politieke beslissingen in onze plaats nemen. Maar is dit wel genoeg? Volstaat het om elke 4, 5 of 6 jaar naar de stembus te trekken om te spreken van “het volk dat zichzelf regeert”? Zouden we niet beter wat dichter aanleunen bij de principes van een directe democratie en op die manier de individuele Belg de kans geven zelf politieke besluiten te nemen?

Wees gerust, dergelijke politieke discussies – die overigens niet meteen thuishoren in een blog over nieuwe media – laat ik over aan zij die er wél iets van kennen. In verband hiermee zou ik echter graag eens een blik werpen op de manier waarop nieuwe media de democratie een handje kan toesteken. Burgers die hun stem digitaal kunnen uitbrengen over elke politieke beslissing die genomen moet worden: realiteit of utopie?

E-governance, e-government en e-democratie

Laten we – om tot een antwoord te komen – vertrekken van het begrip e-governance: “het gebruik van ICT doorheen de bestuurlijk-administratieve én politiek-democratische praktijk”. Hier kan men twee termen onder plaatsen, nl. e-government en e-democracy, die meerdere raakvlakken vertonen, maar die hoofdzakelijk van elkaar verschillen in finaliteit: daar waar e-government vooral een hogere efficiëntie en lagere kosten nastreeft (bijvoorbeeld door het gebruik van computers voor elektronisch stemmen bij verkiezingen), heeft e-democracy als hoofddoel de participatie van burgers in het politieke beslissingsproces te verhogen. Deze participatie kan op verschillende niveaus plaatsvinden, volgens een zogenaamde participatieladder:

Klinkt dat allemaal nog wat theoretisch in de oren? Een specifiek voorbeeld van e-democratie – op het “hoogste” niveau: meebeslissen – zal wat klaarheid kunnen brengen.

Demoex: a democracy experiment

In het jaar 2000 hield een middelbare school in het Zweedse Vallentuna een themadag rond “IT en democratie”. Niet veel bijzonders, zou je denken, ware het niet dat de ervaringen van die dag geleid hebben tot de geboorte van een nieuwe politieke partij: Demoex (een afkorting van ‘Democracy Experiment’).

“From this experience a handful of students discussed with their philosophy teacher possibilities of developing democracy. That was how the Demoex idea was born. We decided to register a party and candidate for the local government in September 2002 with only one promise: Direct Democracy.”

De fonkelnieuwe partij werd meteen verkozen en bracht de 19-jarige Parisa Molagholi als volksvertegenwoordiger binnen in het lokale bestuur. Wanneer er politieke beslissingen genomen moeten worden, stelt Demoex zijn leden in staat online te debateren over en te stemmen voor de uitkomst van de politieke kwestie. De volksvertegenwoordiger zal in het lokale bestuur de mening van de meerderheid van de leden verdedigen. Demoex is dus een mengeling van directe en represent

“Demoex is a 21st century political party, offering 21st century politics. We aim to extend democracy, by allowing people to vote online on individual issues, policies and laws – instead of only letting them vote to choose politicians in elections. atieve democratie.”

Ondertussen werd er zowel in Het Verenigd Koninkrijk als in Brazilië al een gelijknamige politieke partij, met dezelfde doelstellingen, opgericht. Naast Demoex bestaan er bovendien nog andere “Electronic Direct Democracy initiatives”, zoals de Lista Partecipata in Italië of Senator online in Australië. Een wereldwijd opkomend fenomeen, dus.

Pro e-democracy?

Klinkt allemaal perfect, is het niet? Alles gaat veel sneller en de burger voelt zich betrokken bij het bestuur van zijn land. Maar er blijven natuurlijk nog wel flink wat nadelen verbonden aan e-democracy, en specifiek aan initiatieven als Demoex. Ten eerste: wat met diegenen die zich geen computer kunnen veroorloven, vallen die uit de boot? Bovendien: zijn we altijd honderd procent zeker dat zelfs de beste hacker het systeem niet kan bedriegen? En dan: wil de Vlaming wel meebeslissen in de politiek? En wat doen we met burgers die helemaal niet in politiek geïnteresseerd zijn of er niets van afweten, stemmen die dan niet mee? Want er blijven toch onderwerpen waar Jan met de pet helemaal niets van begrijpt…

Meer participatie brengt dus onlosmakelijk een nood aan meer informatie met zich mee, wat natuurlijk weer meer werk en kosten inhoudt… Geen gemakkelijke klus!

Ondanks de moeilijkheden die verbonden zijn aan “Electronic Direct Democracy initiatives”, zie ik er toch wel echt de voordelen van in. Laat die initatieven maar komen, hier in ons Belgenlandje. Op één voorwaarde: iemand moet mij eerst nog een basisles in de Belgische politiek zien te geven.

Want nee, ik beken: politiek is niet mijn sterkste punt…